terug

Status:
Lopend

Projectleiders:
Prof. dr. S. Brouwer
Universitair Medisch Centrum Groningen

Prof. dr. H. Wind
Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid, AMC

Begindatum:
November 2016

De chronisch zieke werkende centraal, wat is de rol van sociaal geneeskundigen?

Aanleiding voor dit onderzoeksprogramma is het SER advies ‘Betere zorg voor werkenden: een visie op de toekomst van de arbeidsgerichte zorg’ (2014). Aansluitend op dit advies zijn de beroepsverenigingen Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) en Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde (NVVG) geconsulteerd, is de relevante literatuur in kaart gebracht en is een aantal uitgangspunten voor dit onderzoeksprogramma geformuleerd, namelijk:

  • de duurzame inzetbaarheid en participatie van de chronisch zieke werkende staat centraal;
  • hierbij gaat het met name om de mogelijkheid van de chronisch zieke werkende om invulling te geven aan self-management, eigen regie en steun van de directe (thuis)situatie;
  • dit vereist een andere rol van sociaalgeneeskundigen, waarbij de samenwerking tussen bedrijfs- en verzekeringsarts in het programma centraal staat;
  • het is belangrijk dat de ontwikkelde kennis en innovaties in de dagelijkse praktijk van bedrijfs- en verzekeringsartsen wordt uitgetest en geëvalueerd.

De centrale vraagstelling binnen het onderzoeksprogramma luidt:
Met de verschuiving van verantwoordelijkheid voor gezondheid en inzetbaarheid naar de chronisch zieke werkende en een meer ondersteunende rol voor (zorg)professionals rijst de vraag op welke wijze sociaalgeneeskundigen vanuit een integrale en geïntegreerde aanpak kunnen bijdragen om de chronisch zieke werkende in staat te stellen zo goed mogelijk zijn eigen rol in te vullen als het gaat om werkbehoud en terugkeer naar werk.

Het onderzoeksprogramma bestaat uit vier deelprojecten en richt zich daarbij op alle fasen van de kenniscyclus: vraagarticulatie, productie en implementatie van kennis. De projecten zijn complementair en vormen een samenhangend geheel, waarbij voortdurende afstemming en interactie plaatsvindt. Het onderzoeksprogramma als geheel heeft een looptijd van vijf jaar.

Deelproject 1: Ontwikkeling en validering van een methodiek om de sociale context van de chronisch zieke werkende actief te betrekken in het sociaal geneeskundig handelen
Projectleider: Prof. dr. S. Brouwer, Universitair Medisch Centrum Groningen
Startdatum: november 2016

In de huidige participatiemaatschappij wordt toenemend een beroep gedaan op eigen regie, eigen verantwoordelijkheid en zelf zorgen. Ook in het kader van arbeidsparticipatie, het blijven werken ondanks gezondheidsproblemen alsmede re-integratie na een ziekteperiode, is sprake van een belangrijk samenspel met de (informele) sociale context. Mensen die veel steun ervaren van hun partner blijken sneller weer aan het werk te gaan na een periode van ziekte. Jonge kinderen, het verrichten van mantelzorgtaken blijken samen te hangen met een grote kans op uitval en minder snelle werkhervatting. Sociaal geneeskundigen (bedrijfs- en verzekeringsartsen) begeleiden en beoordelen chronisch zieke werkenden in het kader van verzuim en arbeidsongeschiktheid. Binnen de sociaalgeneeskundige professies kan de arts de sociale context betrekken in zijn handelen, o.a. door het uitnodigen van de partner op het spreekuur en het verzamelen van informatie over de sociale context. In de praktijk blijkt hier echter nog veel variatie te bestaan tussen artsen en ontbreekt het aan een standaard werkwijze.
Het doel van dit project is het ontwikkelen van een wetenschappelijk onderbouwde methodiek waarmee sociaal geneeskundigen op een gestandaardiseerde wijze de sociale context van hun cliënten in kaart kunnen brengen en deze kunnen betrekken in hun advisering, begeleiding en beoordeling van de belastbaarheid van chronisch zieke werkenden.
Bij de ontwikkeling van de methodiek wordt gebruik gemaakt van aanwezige kennis in de wetenschappelijke literatuur, kennis opgedaan in aanpalende disciplines (zoals huisartsgeneeskunde, psychiatrie en psychologie) en de input van de sociaal geneeskundigen zelf. Met een vignettenstudie wordt onderzocht wanneer en op welke wijze de sociaal geneeskundigen de sociale omgeving betrekken in de dagelijkse praktijk van beoordelen en begeleiden en wat er met de informatie wordt gedaan. In een feasibility studie wordt de haalbaarheid van implementatie van de methodiek in de sociaal geneeskundige praktijk onderzocht binnen een proeftuinsetting. De verwachting is dat na vier jaar een gevalideerde methodiek kan worden toegevoegd aan het sociaal geneeskundige repertoire.

Deelproject 2: Eigen regie en zelfredzaamheid voor chronisch zieke werkenden
Projectleider: prof. dr. J. Anema, VU Medische Centrum, Amsterdam
Startdatum: november 2016

Het aantal mensen met een chronische ziekte in Nederland zal in de toekomst verder toenemen. Daarbij zullen deze ziekten ook steeds vaker voorkomen bij mensen die werken. Het is voor deze groep mensen belangrijk dat ze zo goed en gezond mogelijk kunnen blijven werken, omdat wanneer zij uitvallen vanwege hun aandoening het vaak extra lastig is om weer aan een nieuwe baan te komen.
Hoewel de overheid stimuleert dat mensen met een chronische ziekte zoveel mogelijk de eigen regie behouden, is onvoldoende duidelijk wat deze eigen regie in het werk betekent voor deze doelgroep. Dit onderzoeksproject beoogt daarom ten eerste inzicht te verkrijgen in het begrip eigen regie en zelfredzaamheid binnen het werk voor mensen met een chronische ziekte. Dit inzicht wordt verworven vanuit de literatuur en via gesprekken met de doelgroep, hun sociale omgeving, sociaal geneeskundigen en andere relevante partijen zoals de werkgever, de arbodienst of de verzekeringsmaatschappij. Op basis van deze kennis kan waar nodig betere ondersteuning worden ontwikkeld, zodat mensen met een chronische ziekte zo gezond en duurzaam mogelijk kunnen blijven werken.
Sociaal geneeskundigen in Nederland zijn deskundig op het gebied van arbeid en gezondheid. Hoewel sociaal geneeskundigen nu vaak pas in beeld komen wanneer mensen uitvallen voor hun werk, zouden juist zij degenen kunnen zijn die mensen met een chronische ziekte goed kunnen ondersteunen in hun zelfredzaamheid in het werk, zodat uitval kan worden voorkómen. Hoe sociaal geneeskundigen mensen met een chronische ziekte optimaal kunnen ondersteunen in hun werk, is een tweede belangrijk doel van dit onderzoeksproject.
Samen met chronisch zieke werkenden, hun omgeving en andere betrokkenen op dit terrein zal worden onderzocht wat de beste manier is om chronisch zieken in het werk zo goed mogelijk te ondersteunen. In dit deelproject zal een programma in de dagelijkse praktijk worden ontwikkeld en geëvalueerd met als doel een aanpak die aansluit bij de behoeften van chronisch zieke werkenden in Nederland.

Deelproject 3: Inbreng van de chronisch zieke werkende bij begeleiding naar werk en beoordeling van functionele mogelijkheden
Projectleiders: prof. dr. H. Wind en prof. dr. C.T.J. Hulshof, Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid, AMC
Startdatum: november 2016

Het betrekken van informatie van de chronisch zieke werkende bij de begeleiding naar werk en beoordeling van diens functionele mogelijkheden is op dit moment weliswaar onderdeel van het traject dat een chronisch zieke aflegt vanaf ziekmelding tot en met de WIA beoordeling, maar het gebeurt niet systematisch. Dit onderzoek gaat over de vraag hoe informatie die relevant is voor de begeleiding naar werk en beoordeling van functionele mogelijkheden en uitsluitend van de chronisch zieke werkende zelf afkomstig kan zijn, systematisch kan worden verzameld en bij het proces van begeleiding en beoordeling kan worden betrokken. Uit eerder onderzoek is bekend dat persoonsgebonden informatie relevant is om te betrekken bij de begeleiding en beoordeling ten aanzien van het verrichten van arbeid. Onderzoek heeft aangetoond dat aspecten als motivatie, negatieve gedachten en cognities een belangrijke rol spelen bij terugkeer naar werk. Daarnaast speelt de vraag of de ervaren medische problemen wel of niet werkgerelateerd zijn. De huidige studie richt zich op het inventariseren van deze aspecten. In het verlengde hiervan zal worden nagegaan of in het traject van terugkeer naar werk kennis van deze aspecten en de daarop gerichte interventies de terugkeer naar werk bevorderen. Dit is van belang met het oog op effectieve werkhervattingsinterventies door de bedrijfsarts en de eventuele WIA beoordeling door de verzekeringsarts, dit laatste aan het einde van een termijn van twee jaar arbeidsverzuim wegens ziekte. Bedrijfsartsen kunnen hiermee de eigen regie en zelfredzaamheid van chronisch zieke werkenden vergroten. Ook bij de beoordeling van de functionele mogelijkheden door de verzekeringsarts is deze informatie relevant. Kennis hieromtrent geeft de verzekeringsarts inzicht in de achterliggende factoren die werkhervatting belemmeren of bevorderen en is daarmee behulpzaam bij het vaststellen van de functionele mogelijkheden voor werk. Binnen deze deelstudie zal voorts worden nagegaan of het betrekken van deze informatie tot een ander oordeel leidt betreffende de benutbare mogelijkheden voor werk. Tot slot zal antwoord gegeven worden op de vraag of chronisch zieke werkenden, bedrijfsartsen en verzekeringsartsen de persoonsgebonden informatie ervaren als een verrijking van de beoordeling, zowel wat betreft transparantie als zorgvuldigheid.

Deelproject 4: Proefdraaien met de chronisch zieke werkende centraal; een proeftuinaanpak voor co-creatie van wetenschap en sociaal geneeskundig werkveld
Projectleider: dr. S. van der Burg-Vermeulen, Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid, AMC
Startdatum: november 2016

Kwaliteit in de gezondheidszorgpraktijk heeft alles te maken met een praktijk die op de hoogte is van ontwikkelde kennis en deze kennis daadwerkelijk toepast, dit geldt ook voor het sociaalgeneeskundig werkveld. Kennis is voortdurend in ontwikkeling is, derhalve dient aan de implementatie ervan ook bij voortduring worden gewerkt. Kennis is niet statisch, maar onderdeel van een dynamisch proces dat begint met de vraag welke praktijkvragen moeten worden beantwoord. Ontwikkelde kennis kan worden beschouwd als een concept-product; de kennis moet vervolgens worden bewerkt tot voor het werkveld bruikbare antwoorden en eindproducten: protocollen, instrumenten, interventies etc.. Implementatie van kennis is echter geen vanzelfsprekendheid, zelfs niet als de verworven kennis duidelijke meerwaarde heeft voor de huidige praktijk en tegemoetkomt aan vragen uit die praktijk. Voor succesvolle implementatie van kennis in de praktijk is een goede match tussen die kennis en de praktijkbehoefte cruciaal. De veronderstelling dat kennisontwikkeling begint bij wetenschappelijk onderzoek blijft echter dominant: er wordt nog steeds weinig ruimte geboden aan praktijkkennis en aan innovatieve co-creatie tussen wetenschap en praktijk. Door de uitvoeringspraktijk intensief en systematisch te betrekken bij kennisontwikkeling, kunnen aanknopingspunten worden gevonden die bepalend zijn voor het succes van implementatie. Om wetenschappelijke kennis – verkregen uit de deelprojecten 1, 2 en 3 – direct te kunnen koppelen aan vraagstellingen en toepassingen uit de uitvoeringspraktijk, vormt de proeftuinaanpak een integraal onderdeel van het onderzoeksprogramma. De proeftuin zal tegelijk van start gaan met de drie deelstudies en zal geheel gericht zijn op het toepasbaar maken van de onderzoeksresultaten voor de praktijk. In samenspraak met de onderzoekers uit de deelstudies 1, 2 en 3 én de samenwerkingspartners, zal er net zolang geschaafd worden tot een (kennis)product optimaal op de praktijk is afgestemd. Gebruikmaking van bestaande regionale kennisnetwerken en academische werkplaatsen vormt het vertrekpunt voor de proeftuin. Op deze wijze kan geprofiteerd worden van reeds aanwezige ervaring en expertise binnen sociaalgeneeskundige (academische) samenwerkingsverbanden.
Binnen de proeftuin zal gebruik worden gemaakt van een stapsgewijze, planmatige aanpak van implementatie samen met de omgeving waarin de implementatie plaatsvindt. Omgeving dient in dit verband ruim te worden opgevat, deze omvat onder meer: regelgeving, financiële prikkels, maatschappelijke ontwikkelingen, ontwikkelingen binnen beroepsgroepen, kenmerken van doelgroepen en behoeften van eindgebruikers.
Er zal in kaart worden gebracht welke belemmerende en bevorderende factoren zich voordoen bij de implementatie van producten uit de drie deelprojecten, inclusief eventuele oplossingen. Er zal worden proefgedraaid om de producten te onderzoeken op hun toepasbaarheid in de praktijk. De resultaten binnen de proeftuin zullen worden uitgewerkt in implementatieplannen voor uitrol in de uitvoeringspraktijk en bevordering van het (blijvend) gebruik van de producten uit de drie deelprojecten. Daarnaast zal ondersteunend materiaal worden ontwikkeld waarvan de uitvoeringspraktijk aangeeft dat ze behulpzaam zijn om de implementatie in de praktijk te bevorderen, bijvoorbeeld trainingen, leidraden, bureauleggers.