terug

Status:
Afgerond

Projectleider:
Prof. dr. W. Trommel
Vrije Universiteit Amsterdam


Bijlage:

Samenvatting


Decentralisatie en regionalisering in het activerend arbeidsmarktbeleid: naar principes voor goed bestuur

De moderne verzorgingsstaat maakt, nationaal en internationaal, ingrijpende veranderingen door. Zo geldt het bieden van sociale bescherming niet altijd meer als enige of hoogste beleidsdoel. Steeds meer waarde wordt gehecht aan het activeren van burgers via hierop toegesneden maatschappelijke investeringen. Dergelijke inhoudelijke wijzigingen vragen ook om nieuwe bestuurlijke benaderingen, met belangrijke gevolgen voor de verantwoordelijkheden van overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers. Over de bestuurlijke implicaties van de verzorgingsstaat-nieuwe-stijl gaat dit onderzoeksprogramma.

Daarbij richt het programma zich in het bijzonder op institutionele en organisatorische vraagstukken in de beleidssector ‘arbeidsmarkt en sociale zekerheid’. In deze sector zijn, met het oog op de verreikende activerende ambities, tal van nieuwe bestuurspraktijken geïntroduceerd. Zo is de verantwoordelijkheid voor beleidsregie nadrukkelijker bij de gemeenten komen te liggen (decentralisatie). Daarnaast spelen regionale netwerken een grotere rol bij de uitvoering van beleid (horizontalisering). Deze trends sluiten aan bij recente theorievorming over publieke sturing (public governance). Centraal hierin staat de gedachte dat de publieke sturingsfunctie kan worden versterkt door a) slimmere spreiding van verantwoordelijkheden over de diverse bestuurslagen (multi-level governance) en b) inschakeling van non-gouvernementele partijen in het bestuursproces (multi-actor governance).

Hoewel van de experimenten met een nieuwe bestuursaanpak specifieke voordelen mogen worden verwacht, waaronder bijvoorbeeld een grotere probleemgerichtheid en effectiviteit van beleid, is op dit vlak nog veel onduidelijk. Uit eerste evaluaties blijkt dat zich talrijke nieuwe problemen aandienen, waaronder ondoorzichtigheid in verantwoordelijkheidsverdeling, erosie van publieke waarden, gebrek aan regie, en het disfunctioneren van publiekprivate samenwerkingsrelaties. Om die reden wordt in dit programma de volgende, fundamentele kennisvraag opgeworpen: welke factoren zijn van belang voor het succes en/of falen van de nieuwe governance praktijken op het terrein van het activerend arbeidsmarktbeleid?

Teneinde greep te krijgen op deze materie, is de centrale puzzel langs een tweetal dimensies nader uitgewerkt, te weten a) de problematische verhouding tussen ‘verticale’ en ‘horizontale’ bestuursverantwoordelijkheden en b) de problematische verhouding tussen beleidsvorming en beleidsuitvoering. Het combineren van deze twee probleemdimensies levert een programmalogica op, die zich schematisch als volgt laat weergeven:

In het schema staan de vier projecten vermeld die het hart van het programma vormen. Deze basisprojecten richten zich achtereenvolgens op 1) de vormgeving aan centrale regietaken in een overwegend decentraal stelsel, 2) de doorwerking van centrale taakstellingen in prestatiegerichte vormen van publiek management, 3) het functioneren van regionale beleidsplatforms en 4) de merites van gemengde (‘hybride’) uitvoeringsmodaliteiten. De vier basisprojecten zijn vormgegeven als dissertatieonderzoeken met een looptijd van vier jaar. Na drie jaar zal het programma worden verrijkt met op kennisintegratie gerichte postdocprojecten (K1-K3). Hierin zullen de bevindingen uit de basisprojecten op verschillende manieren met elkaar in verband worden gebracht. Het uiteindelijke doel hiervan is de principes te benoemen voor ‘goed bestuur’ van activerend arbeidsmarktbeleid in de vernieuwde verzorgingsstaat.