terug

Status:
Lopend

Projectleider:
Prof. dr. P.S.J. Schoukens
Tilburg University

Begindatum:
Mei 2016

Grenzen aan atypische arbeid, flexwerk en zelfstandige arbeid getoetst aan Europese beginselen van het socialezekerheidsrecht

‘Flexwerkers krijgen ineens veel lagere WW-uitkering’ (NRC 7 september 2015); ‘Weg met de wegwerparbeid’ (NRC 13 juni 2015); ‘Wil de echte zzp’er opstaan?’ (NRC 8 oktober 2015). Flexwerk en zelfstandigen staan al een hele tijd in de mediabelangstelling. Naast de vraag wie ze nu werkelijk zijn, blijkt vooral de sociale zekerheid onvoldoende afgestemd op hun noden. Dit is geen specifiek Nederlands probleem; ook elders in Europa kampt men met deze problemen. Flexwerkers en zelfstandigen zijn immers atypische arbeidskrachten: hun arbeid voeren ze niet uit op basis van een (traditionele) arbeidsovereenkomst. Het gaat concreet om stagiaires, kleine zelfstandigen / zelfstandigen zonder personeel, oproepkrachten enzovoort. Ook het Nederlandse socialezekerheidsrecht, conceptueel nog gebaseerd op de traditionele (fulltime) werknemer in vaste dienst, veroorzaakt dan ook de nodige problemen bij haar toepassing op atypische werknemers. Hoe pas je immers een werkloosheidsverzekering toe op zelfstandigen wanneer het onvrijwillige karakter van de werkloosheid haast niet te toetsen valt?

Bij de toepassing van het Europese sociaalzekerheidsrecht op atypische arbeid zijn er eveneens de nodige problemen. In het geval van een grensoverschrijdende organisatie van arbeid komen socialezekerheidsstelsels vaak met elkaar in conflict. Zo onder meer over de vraag wie nu uiteindelijk bevoegd is om de atypische activiteit juridisch te kwalificeren. De gegeven kwalificatie (werknemer of zelfstandige; beroepsactief of niet) is immers bepalend voor het toepasselijke recht (EU-Verordening 883/2004). Ze is dat eveneens voor de vraag of en in welke mate men toegang kan krijgen tot sociale voorzieningen van de (tijdelijke) verblijfstaat (bij toepassing van de EU-verblijfsrichtlijn 2004/38).
De socialezekerheidsbescherming varieert bovendien zeer sterk bij atypische arbeid; veel sterker in elk geval dan bij de traditionele werknemers. Zo wordt wel geopperd dat vanwege de enorme verschillen in bescherming, atypische arbeidskrachten bij de uitoefening van het vrije verkeer in de EU, belemmerd worden. De correctie die het Hof van Justitie voorstelt in het geval dat het stelsel van de werkstaat te weinig dekking biedt, is het stelsel van de woonstaat te betrekken bij de uiteindelijke bescherming. Op termijn dreigt dit de stelsels met universele regelingen (volksverzekeringen) te benadelen.
Met dit onderzoek wensen we antwoord te bieden op de geschetste problemen vanuit de theorie van arbeidsstatuutspecifieke toepassing van neutrale socialezekerheidsbeginselen (Schoukens, 2000). Het uitgangspunt van deze theorie is dat de basisregels van de sociale zekerheid voor alle beroepsgroepen (werknemers, zelfstandigen, flexwerkers enz.) gelijkaardig horen te zijn, maar dat de uitwerking van die basisregels de eigenheid van de beroepsgroepen zoveel mogelijk respecteert. De theorie van arbeidsstatuutspecificiteit en de bestaande Europese sociale standaarden inzake atypische arbeid vormen het centrale kader waaraan bestaande socialezekerheidsregelingen voor een aantal geselecteerde groepen van atypische arbeid worden getoetst. Hierbij gaat het om nationale socialezekerheidsregelingen van een aantal Europese lidstaten (waaronder Nederland) maar ook het Europese socialezekerheidsrecht dat vorm geeft aan het vrije personenverkeer. Bij het Europeesrechtelijke deel geschiedt de toetsing aan de hand van een aantal vooraf bepaalde casussen van mobiele (atypische) arbeidskrachten.