terug

Status:
Lopend

Projectleider:
Prof. dr. F.J.L. Pennings
Universiteit Utrecht


Juridische en economische aspecten en gevolgen van wijzigingen in werkloosheidsregelingen sinds 1986

De WW en daarop gebaseerde regelingen zijn sinds de aanname ervan in 1986 veelvuldig veranderd. Daarmee werd beoogd om, afhankelijk van de situatie, onder andere de instroom van het aantal uitkeringsgerechtigden te beperken, de uitstroom te bevorderen, het aannemen van werk te bevorderen of de werking van de arbeidsmarkt te vergemakkelijken. Voor deze wijzigingen kunnen verschillende instrumenten ingezet worden, waaronder wijziging van de duur en hoogte van de uitkeringen, verhoging van de toegangsdrempels of uitkeringsvoorwaarden en verscherping van de straffen. Denk aan de verscherping van het aantal weken dat gewerkt moet worden, de Wet Boeten die de sancties verscherpte, de invoering van de vervolguitkering en de afschaffing ervan en de verkorting van de uitkeringsduur.

In deze studie wordt onderzocht welke instrumenten precies voor welk doel zijn gekozen en welke effecten die instrumenten hebben gehad. Zijn de doelstellingen bereikt? Zijn er wellicht neveneffecten, bijvoorbeeld die de doelstellingen tegengewerkt hebben?

Het onderzoek wordt uitgevoerd door allereerst literatuuronderzoek naar veranderingen in werkloosheidsregelingen, zoals wijziging van de duur en sancties. Daarnaast wordt ook bij een aantal hoofdwijzigingen empirisch onderzoek verricht, hetgeen belangrijk zal bijdragen aan inzicht in hoe de verschillende sturingsinstrumenten werken. Voor dit doel worden het juridisch en economisch deel van het onderzoek op elkaar afgestemd en wordt ook het tijdsperspectief afgestemd, zodat informatie vanuit het juridisch perspectief goed aansluit bij het economisch perspectief.

Daarom worden er drie hoofdonderdelen gepland en uitgevoerd:

  1. Instrumenten bedoeld voor wijziging in de in- en uitstroom van de WW (waaronder wijziging van hoogte en duur, referte-eisen, financieringsregelingen)
  2. Instrumenten bedoeld ter beïnvloeding van het arbeidsmarktgedrag (waaronder bepalingen betreffende verwijtbare werkloosheid, sancties en boeten)
  3. Neveneffecten (waaronder instroom in Wet werk en bijstand en IOAW door mensen die geen recht (meer) hebben op een WW-uitkering).

De jurist zal nagaan welke doelstellingen de onderscheiden wijzigingen hadden, onder andere in parlementaire stukken, Raad van State-adviezen, SER-rapporten en wetenschappelijke literatuur. De reactie van de rechter op de wijzigingen zal daarbij worden meegenomen, waarna de bevindingen in een analytisch kader geplaatst worden met daarin de gevolgen voor de verschillende stakeholders (werknemer, werkgever, Uwv, etc).

De econoom zal kwantitatieve econometrische analyses uitvoeren en ook focusgroepgesprekken voeren om door middel van een kwalitatieve benadering de reacties van werkgevers te peilen, waaronder ervaren problemen, welke alternatieven er zijn en de perceptie van de WW.

De jurist en de econoom zullen elkaars bevindingen voortdurend met elkaar confronteren en een samenhangend rapport opstellen. Uiteindelijk leidt dit tot een analyse van de instrumenten en tot aanbevelingen. Zo komt er meer inzicht in sturingsinstrumenten en de effecten ervan, dit zal leiden tot conclusies en aanbevelingen.