Conferentie ‘Flex in transitie: routes naar toekomstbestendig flexibel werken’

Tijdens de conferentie ‘Flex in transitie: routes naar toekomstbestendig werken’ op 1 december in Amersfoort stonden de resultaten van drie door Instituut Gak gefinancierde onderzoeken centraal. Lex Heerma van Voss, tot voor kort directeur van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis en onderzoeker bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, presenteerde zijn onderzoek naar Flexibele arbeid in de Nederlandse polder 1950-2020. Olaf van Vliet, hoogleraar economie aan de Universiteit Leiden, ging in op de gevolgen van flexibilisering, globalisering en technologische vooruitgang voor de arbeidsmarkt en sociale zekerheid. Wieteke Conen belichtte de uitkomsten van haar onderzoek naar de juridische en organisatorische vraagstukken bij hybride werken. Hoofddocent en onderzoeker Mijke Hartendorp van Hogeschool Saxion ontwikkelde, ondersteund door Instituut Gak, de gratis toolkit ‘Inclusief hybride werken’ om hybride werken voor medewerkers met een arbeidsbeperking beter mogelijk te maken. Tot slot ging een panel in discussie over de toekomst van de flexibele arbeidsmarkt.
Flexibele arbeid is van alle tijden, weet prof. dr. Lex Heerma van Voss, die onderzoek deed naar de historische ontwikkeling van flexibele arbeidscontracten en de invloed daarvan op de huidige arbeidsmarkt. Hij neemt de ruim vijftig deelnemers aan de conferentie mee naar de naoorlogse tijd, toen veel vrouwen wilden werken, maar het kostwinnersmodel onaantastbaar bleek. Vanaf 1960 kwam deeltijdwerk, vooral door vrouwen, op gang. “En die groei is niet meer gestopt”, vertelt Heerma van Voss. “Nederland is wereldkampioen met bijna 50 procent deeltijdwerkers, mannen en vrouwen opgeteld.” Oproepwerk, uitzendwerk en zzp-schap hebben in de jaren vanaf 1990 een grote groei doorgemaakt, laat Heerma van Voss zien. Hij vertelt hoe het eerste kabinet-Kok worstelde met het reguleren van flexwerk. En hoe de Wet flexibiliteit en zekerheid (1999) het begin van tal van wetswijzigingen en nieuwe wetgeving betekende. “Net als bij veel andere kabinetten werd het lastige compromis uitbesteed aan de sociale partners.”
Vaardigheden crux voor mobiliteit
Vervolgens maakt prof. dr. Olaf van Vliet een sprong naar actuele ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, terwijl hij een foto laat zien waarop de Commissie Regulering van Werk/Commissie-Borstlap in 2020 haar eindrapport ‘In wat voor land willen wij werken’ presenteerde. In zijn onderzoek belicht Van Vliet de gevolgen voor de arbeidsmarkt en sociale zekerheid van flexibilisering, globalisering en technologische vooruitgang. Deze middag gaat hij vooral in op de mobiliteit, flexibiliteit én de juiste vaardigheden die werkenden nodig hebben om naar nieuwe beroepen over te stappen. “In ons onderzoek zien we dat juist in het midden, tussen de laag- en hoogopgeleide beroepen in, werkgelegenheid verdwijnt”, illustreert Van Vliet aan de hand van een grafiek over baanpolarisatie. “Werkgelegenheid concentreert zich in de hoogste en laagste loonfuncties. Doordat banen in het midden wegvallen als gevolg van technologische ontwikkelingen, vindt een verschuiving naar lager betaalde banen plaats.” Van Vliet legt uit dat daardoor de concurrentie aan de onderkant van de arbeidsmarkt toeneemt. Die concurrentie zet niet alleen de arbeidsvoorwaarden, maar ook contractvormen onder druk. Op deze manier dragen structurele economische veranderingen bij aan de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Door de energietransitie, globalisering en technologische vooruitgang zijn krimp- en groeisectoren ontstaan. Een belangrijke vraag hierbij voor beleidsmakers is hoe de overstap van werknemers tussen verschillende sectoren kan worden gefaciliteerd. Het beschikken over de juiste vaardigheden voor een nieuw beroep in een andere sector vormt hierbij de crux. In het bredere debat over de groei van de arbeidsproductiviteit spelen economische dynamiek en mobiliteit op de arbeidsmarkt een belangrijke rol. Van Vliet besluit zijn verhaal met de stelling dat instituties zo zouden moeten worden vormgegeven dat ze bijdragen aan het creëren van een balans tussen het bevorderen van welvaart enerzijds en sociale bescherming anderzijds. Hij benadrukt daarbij dat “welvaart een breder concept is dan economische groei.”
Inclusief hybride werken
Instituut Gak maakte het maatschappelijke project ‘Inclusief hybride werken’ mogelijk. Aan de hand van een filmpje laat dr. Mijke Hartendorp van Hogeschool Saxion zien hoe hybride werken, ook wel plaats- en tijdsonafhankelijk werken genoemd, toegankelijker kan worden gemaakt voor mensen met een arbeidsbeperking. “Voor hen is autonomie en flexibiliteit heel belangrijk”, zegt ze. “Als je met een rolstoel of taststok naar je werk moet, kost dat veel energie, frustratie en zijn er allerlei hobbels. Dan is thuiswerken een uitkomst. Dat kan ook gelden voor mensen die snel overprikkeld zijn. Aan hybride werken zitten veel voordelen, mits het inclusief is.” De afgelopen twee jaar ontwikkelde Saxion samen met Hogeschool van Amsterdam de toolkit ‘inclusief hybride werken’. De toolkit die bij de Rabobank, ProRail en het Universitair Medisch Centrum Utrecht is getest, leidt volgens Hartendorp tot veel openheid en begrip over wat iemand nodig heeft om op een prettige manier thuis én op kantoor te kunnen werken.
Ervaringen werknemers en werkgevers hybride werken
Hoe ervaren werknemers en werkgevers hybride werken? Welke factoren zijn van invloed en hoe komen ze tot afspraken over plaats- en tijdsonafhankelijk werken? Dat onderzocht dr. Wieteke Conen, werkzaam bij het Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies (AIAS-HSI/UvA). Op 19 januari 2026 presenteert ze de resultaten in Pakhuis de Zwijger; tijdens de conferentie gaf ze een voorproefje. Zo blijkt de groep werknemers, die hybride werkt (21%) of in ieder geval enige autonomie in plaats en tijd ervaart (21%) positief over de productiviteit, concentratie, autonomie en betere werk-privébalans die ze hebben. Hun werktevredenheid is groot. Professionele ontwikkeling, kansen op promotie en de relatie met collega’s en klanten ervaren zij als de negatieve kant van thuiswerken. “Hoger opgeleiden en werkenden met een vast contract werken vaker hybride, dan werkenden met een oproep- of uitzendcontract”, vertelt Conen. “Van de groep die nooit thuis werkt en geen zeggenschap over werktijden heeft, scoort de arbeidstevredenheid en motivatie relatief laag en ervaren mensen een werkdag vaker als uitputtend. Hoe meer autonomie, hoe hoger de arbeidstevredenheid.”
Uit het onderzoek onder zo’n 1500 werkgevers blijkt dat zij overwegend positief zijn over hybride werken, bijvoorbeeld als het om de productiviteit en motivatie van werknemers gaat. Conen: “In tegenstelling tot berichten in de krant dat steeds meer werknemers weer naar kantoor moeten, gaven werkgevers aan positiever te zijn geworden over hybride werken en ook voor de toekomst te verwachten dat het blijft.” Daar moeten dan nog wel meer formele afspraken over worden gemaakt. Het onderzoek laat zien dat nu veel informeel wordt geregeld, dat de zorgplicht niet bij iedere werkgever in beeld is en dat er weinig overleg over dit onderwerp is met de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging. “Die zorgplicht; dat is nog wel een ding”, besluit Conen.
Sociale zekerheid voor iedereen
Gezien alle vormen van flexibiliteit en de onstuitbare groei ervan, ligt tegen het einde van de conferentie de stelling op tafel dat het stimuleren van vaste fulltimebanen niet meer van deze tijd is. De meerderheid van de deelnemers is het hiermee eens. Panellid Kinha de Almeida Guimarães van CNV Jongeren tekent aan dat de meeste mensen zekerheid willen – ook jongeren willen graag een vast contract. “Zeker als zij zich op de huizenmarkt begeven.” Mede-panellid Fabian Dekker, onderzoeker bij SEOR en kroonlid van de Sociaal-Economische Raad (SER), pleit ervoor alle werkenden toegang tot sociale zekerheid te geven – zowel zzp’ers, flexwerkers als werknemers met een vast contract. “We moeten echt anders nadenken over sociale zekerheid. Als alle werkenden verzekerd zijn van een basisniveau als ze werkloos of arbeidsongeschikt raken, ontstaat een rechtvaardiger arbeidsmarkt. Sociale zekerheid moet niet langer afhankelijk zijn van het soort contract dat je hebt.”
Arnold Devreese, oud-directeur Sociale Zaken bij de SER, wil het nieuw te vormen kabinet graag een advies meegeven. “Doe alleen beloftes die waargemaakt kunnen worden”, zegt hij, waarbij hij erop hamert het middellange termijnadvies van de SER getiteld ‘Zekerheid voor mensen, een wendbare economie en herstel van de samenleving’ uit te voeren. In dat advies geeft de SER een visie op de toekomstige arbeidsmarkt en wijst op toenemende ongelijkheid en maatschappelijk ongenoegen. Devreese: “Hoe gaan we om met het klimaatvraagstuk, de energietransitie en de personeelstekorten? Zet veel meer in op van-werk-naar-werk-regelingen. Geef mensen die hun baan dreigen te verliezen perspectief op werk in groeisectoren. Maak gebruik van het onbenutte arbeidspotentieel en betrek ook gepensioneerden en arbeidsongeschikten daarbij.”
Ook voor de langere termijn doet Devreese een oproep aan het nieuwe kabinet: “Kom met een visie op ‘de polder’. Denk na wat voor economie we willen en wat de rol van arbeidsmigratie daarin is. Zorg dat onderwijs en arbeidsmarkt beter op elkaar worden afgestemd en moderniseer het socialezekerheidsstelsel. In Nederland is men goed in het bedenken van nieuwe stelsels, maar zorgdragen voor continuïteit is minstens zo belangrijk.”
Tekst: Pien Heuts
Meer informatie:
https://www.instituutgak.nl/onderzoek/onderzoeken/flexibele-arbeid-in-de-nederlandse-polder-1950-2020/
https://www.instituutgak.nl/onderzoek/kennisbank/globalisering-migratie-en-technologische-vooruitgang-gevolgen-voor-arbeidsmarkt-en-sociale-zekerheid/
https://www.instituutgak.nl/onderzoek/onderzoeken/juridische-en-organisatorische-vraagstukken-bij-hybride-werken/
https://www.instituutgak.nl/projecten/hybride-werk-inclusief-gemaakt/
